Toegevoegd punt namens de fractie Mensen Met Mensen
- 3 dagen geleden
- 11 minuten om te lezen
Problematiek permanente bewoning weekendverblijven - verstrijken van het woonrecht op 1 januari 2030 – noodzaak anticiperend beleid
Situering
De bepalingen omtrent deze problematiek in de Vlaamse codex ruimtelijke ordening De Vlaamse codex ruimtelijke ordening stelt onder meer het volgende omtrent de permanente bewoning van weekendverblijven (hoofdstuk IV “Aanpak permanente bewoning weekendverblijven”): Onder "permanente bewoners" van weekendverblijven moet begrepen worden: personen die voldoen aan beide hiernavolgende voorwaarden: a) op 31 augustus 2009 betrekken zij reeds gedurende ten minste één jaar een weekendverblijf als hoofdverblijfplaats, zulks blijkens een voorlopige of definitieve inschrijving in het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister van de betrokken gemeente; b) zij hebben geen andere woning volledig in volle eigendom of volledig in vruchtgebruik. Over het “woonrecht” als zodanig lezen we (tot zijn essentie verwoord) in de codex dat voor permanente bewoners waarvoor geen planologische oplossing geboden wordt, ten persoonlijken titel een woonrecht geldt. Permanente bewoners zijn er wel toe gehouden in te gaan op het eerste aanbod tot herhuisvesting van overheidswege, op straffe van verval van hun woonrecht.9/21 Het woonrecht vervalt eveneens indien en van zodra de permanente bewoner:
1° het weekendverblijf niet langer als hoofdverblijfplaats betrekt, zulks blijkens het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister van de betrokken gemeente;
2° een andere woning volledig in volle eigendom of volledig in vruchtgebruik verwerft; 3° na 1 september 2009 met betrekking tot het weekendverblijf een misdrijf of een inbreuk als vermeld in artikel 6.2.1 en *6.2.2., begaat. Artikel 6.2.1. ( 01/03/2018 - 31/03/2026 )
De hierna volgende handelingen en omissies worden stedenbouwkundige misdrijven genoemd, en worden bestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot vijf jaar en met een geldboete van 26 euro tot 400.000 euro of met een van deze straffen alleen:
1° het uitvoeren van de handelingen, vermeld in artikel 4.2.1 en artikel 4.2.15, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende vergunning, of het verder uitvoeren van de handelingen, vermeld in artikel 4.2.1 en artikel 4.2.15, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende vergunning;
2° het uitvoeren van de handelingen in strijd met een ruimtelijk uitvoeringsplan als vermeld in titel II, hoofdstuk II, of met de stedenbouwkundige en verkavelingsverordeningen, vermeld in artikel 2.3.1 tot en met 2.3.3, tenzij de uitgevoerde handelingen vergund zijn of tenzij het gaat om de handelingen, vermeld in artikel 6.2.2, 6° ;
3° het verder uitvoeren van de handelingen in strijd met het bevel tot staking, de bekrachtigingsbeslissing of, in voorkomend geval, de beschikking in kort geding; 4° het na 1 mei 2000 plegen van een schending, op welke wijze ook, van de plannen van aanleg en verordeningen die tot stand zijn gekomen volgens de bepalingen van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en die van kracht blijven zolang en in de mate dat ze niet vervangen worden door nieuwe voorschriften, uitgevaardigd krachtens deze codex, tenzij de uitgevoerde werken, handelingen of wijzigingen vergund zijn of tenzij het gaat om de handelingen, vermeld in artikel 6.2.2, 6° ; 5° het uitvoeren van handelingen die een schending zijn op de bouw- en verkavelingsvergunningen die zijn verleend krachtens het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996; 6° het uitvoeren van handelingen in een conform artikel 5.6.8 aangeduid watergevoelig openruimtegebied die: a) of niet zijn toegelaten in artikel 5.6.8, § 3, tenzij deze handelingen vergund of vergund geacht zijn en, voor zover het gebied niet opgeheven wordt met toepassing van artikel 5.6.8, § 7; b) of die de voorwaarden die door de Vlaamse Regering worden verbonden aan de schrapping vermeld in artikel 5.6.8, § 7, derde lid schenden, tenzij deze handelingen vergund of vergund geacht zijn; 7° het als eigenaar toestaan of aanvaarden dat een van de misdrijven, vermeld in punt 1° tot en met 6°, worden gepleegd. De minimumstraffen zijn echter een gevangenisstraf van vijftien dagen en een geldboete van 2.000 euro, of een van die straffen alleen, als de misdrijven, vermeld in het eerste lid, gepleegd worden door instrumenterende ambtenaren, vastgoedmakelaars en andere personen die in de uitoefening van hun beroep of activiteit onroerende goederen kopen, verkavelen, te koop of te huur zetten, verkopen of verhuren, bouwen of vaste of verplaatsbare inrichtingen ontwerpen en/of opstellen of personen die bij die verrichtingen als tussenpersonen optreden, bij de uitoefening van hun beroep.
*Artikel 6.2.2. ( 20/07/2024 - 31/03/2026 )10/21 De hierna volgende handelingen en omissies worden stedenbouwkundige inbreuken genoemd, en worden bestraft met een exclusieve bestuurlijke geldboete van maximaal 400.000 euro : 1° de instandhouding van de illegale gevolgen van de misdrijven, vermeld in artikel 6.2.1, eerste lid, voor zover die gevolgen zich situeren in kwetsbaar gebied; 2° het schenden van de verplichtingen, vermeld in artikel 6.3.6, § 2, tweede en vierde lid, en artikel 6.4.9, § 2, tweede en vierde lid; 3° het uitvoeren van de handelingen, vermeld in artikel 4.2.2 en 4.2.5, die voorafgaan aan de voorafgaande uitdrukkelijke of stilzwijgende aktename, vermeld in artikel 6, tweede lid van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning; 4° het schenden van de informatieplicht, vermeld in artikel 5.2.1 tot en met 5.2.6; 5° het uitvoeren van handelingen zonder de controle van een architect als die controle verplicht is met toepassing van artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van den titel en van het beroep van architect en de uitvoeringsbesluiten ervan; 6° het uitvoeren van de handelingen, vermeld in artikel 4.4.1, § 3, tweede lid, in strijd met bijzondere plannen van aanleg, gemeentelijke uitvoeringsplannen en verkavelingsvergunningen of omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden, voor zover die plannen of vergunningen, of de relevante delen ervan niet zijn opgenomen in een door de gemeenteraad vastgestelde lijst als vermeld in het voormelde artikel; 7° het als eigenaar toestaan of aanvaarden dat de inbreuken, vermeld in punt 1°, 3°, 5° en 6°, worden gepleegd.
Het woonrecht vervalt ten slotte indien het weekendverblijf tenietgaat of niet langer voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 3.1 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021. Ook wordt in de codex ingegaan op wat dit woonrecht concreet inhoudt voor permanente bewoners en hun gezinsleden. Gedurende de uitoefening van het woonrecht: 1° wordt het strijdige gebruik van het weekendverblijf niet beschouwd als een schending van deze codex; 2° worden op het strijdig gebruik van het weekendverblijf gesteunde vorderingen, ontstaan vóór de aanvang van het woonrecht, geschorst, evenals de verjaring van deze vorderingen; 3° worden op het strijdig gebruik van het weekendverblijf betrekking hebbende herstelmaatregelen, en (de verjaring van) het recht om tot ambtshalve uitvoering van dergelijke herstelmaatregelen over te gaan, geschorst; 4° wordt het strijdig gebruik van het weekendverblijf geacht geen vertraging in de tenuitvoerlegging van een herstelmaatregel uit te maken, in het geval aan de uitvoering van de herstelmaatregel een dwangsom is verbonden. Voor de toepassing van het tweede lid, wordt onder «strijdig gebruik van het weekendverblijf» verstaan: de permanente bewoning van het weekendverblijf door de permanente bewoners en hun gezinsleden.
2) De communicatie omtrent deze problematiek op de website van “Omgeving Vlaanderen” Op de website van Omgeving Vlaanderen wordt over de problematiek in kwestie onder meer het volgende gesteld:
● Het woonrecht (tijdelijk en aanvullend) geeft de permanente bewoners en hun gezinsleden het recht om het weekendverblijf permanent te bewonen gedurende de periode waarbinnen het woonrecht geldt (ten laatste tot 31 december 2029). Deze bewoners dienen echter op de vooravond van de inwerkingtreding van het decreet (31 augustus 2009) sinds ten minste 1 jaar het weekendverblijf permanent te 11/21 bewonen. Gedurende dit woonrecht kan het loutere gebruik als permanent verblijf geen aanleiding geven tot het opleggen van een herstelmaatregel of een straf.
● Na 31 december 2029 verstrijkt het woonrecht en heeft de burgemeester van de betrokken gemeente het recht een woonverbod uit te spreken ten aanzien van weekendverblijven die niet gelegen zijn in gebieden waarin verblijfsrecreatie is toegelaten.
Er kunnen 5 situaties onderscheiden worden waarin het woonrecht vervalt: 1) Wanneer een permanente bewoner van een weekendverblijf de verplichting om in te gaan op het eerste aanbod tot herhuisvesting van overheidswege niet nakomt; 2) Wanneer een permanente bewoner het weekendverblijf niet langer als hoofdverblijfplaats betrekt; 3) Wanneer een permanente bewoner een andere woning volledig in volle eigendom of volledig in vruchtgebruik verwerft; 4) Wanneer een permanente bewoner een misdrijf met betrekking tot het weekendverblijf begaat; 5) Wanneer het weekendverblijf tenietgaat of niet langer voldoet aan de vereisten vermeld in artikel 5 van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode. Bovendien is het woonrecht persoonsgebonden en niet overdraagbaar. Als de begunstigde van het woonrecht overlijdt, vervalt bijgevolg het woonrecht.
Tenslotte: het woonrecht wordt enkel toegekend aan bewoners van hoofdzakelijk vergunde weekendverblijven. Wanneer in een gerechtelijke uitspraak werd vastgesteld dat de constructie onvergund is, kan de bewoner van het weekendverblijf niet genieten van het woonrecht.
Probleemstelling vanuit de MMM-fractie
Na 31 december 2029 verstrijkt het woonrecht, hierboven uitvoerig geschetst. Dat betekent dat vele permanente bewoners van weekendverblijven binnen zeer afzienbare tijd in een precaire situatie terechtkomen wat hun woonrecht betreft. Bovendien en vooral echter zijn tal van mensen ingeschreven in weekendverblijven die geen aanspraak kunnen maken op het woonrecht zoals dat decretaal is vastgelegd. Het is dus evident dat de lokale besturen met weekendverblijven op hun grondgebied, op zeer korte termijn in overleg gaan met het Vlaams bestuursniveau om wat in 2029 op ons afkomt beleidsmatig te ondervangen.
De MMM-fractie wil met dit agendapunt met klem de urgentie van handelen in de context van de geschetste problematiek benadrukken. Voor er aan een beleidsvoorstel kan worden gewerkt vanuit het college, is het echter absoluut noodzakelijk dat het college in samenspraak met de gemeentelijke administratie een antwoord biedt op de hierna weergegeven schriftelijke vragen. Deze schriftelijke vragen moeten dan in de context van dit agendapunt ook worden beschouwd als gekwalificeerde vragen conform het huishoudelijk reglement die dus tegen de volgende gemeenteraad of de gemeenteraad er op volgend moeten worden beantwoord. Voor het college zijn deze vragen dus niet vrijblijvend: zij vereisen een (gemotiveerd) antwoord. Concreet zijn deze schriftelijke vragen vanuit de MMM-fractie de volgende:12/21 ● Hoeveel weekendverblijven zijn er momenteel in onze gemeente?
● Hoeveel daarvan liggen er momenteel in verblijfsrecreatiegebied? ● *Hoeveel liggen er momenteel in elk van de zones volgens het Gewestplan? ● Hoeveel mensen wonen er op datum van heden permanent in deze weekendverblijven? ● Hoeveel van deze inschrijvingen zijn decreetconform (zie hoger)? ○ Graag ook hier een overzicht per zone op het Gewestplan ● Hoeveel mensen zijn er sinds 2009 tot in 2026, per jaar, ingeschreven? ● Hoeveel mensen zijn in dezelfde periode uitgeschreven?
● Heeft het college in het kader van mogelijke herhuisvesting al initiatieven ontplooid in de loop van deze legislatuur?
● Wat doet het college verder op het vlak van handhaving, op het vlak van begeleiding en mogelijke herhuisvesting? Uit de verslagen (CBS) omtrent handhaving stellen we immers vast dat er nog steeds een (zeer) grote stijging is van het aantal inschrijvingen/permanente bewoning van weekendverblijven. ● Hoe en wanneer gaat het college zijn beleid communiceren omtrent bovenstaande items aan de doelgroep in kwestie én aan onze inwoners in het algemeen. Zonder een duidelijk onderzoek en een hieruit resulterende beleidsvisie over de hiervoor gestelde schriftelijke vragen aan het college is verder beleid nattevingerwerk. Het is evident dat het college spoedig werk maakt van dit dossier: de ultieme datum van eind 2029 valt immers samen met het einde van de huidige legislatuur.
De volgende gemeenteraadsverkiezingen zijn gepland voor de tweede zondag van oktober 2030. Einde legislatuur en installatievergadering: eerste week van december 2030.
Voorstel van besluit KENNISNAME Van de schriftelijke vragen in het motiverend gedeelte van dit ontwerp raadsbesluit met het oog op het beantwoorden ervan ten laatste op de zitting van de gemeenteraad van maart 2026.
BESLUIT Het college zal op de gemeenteraad van …2026 en alleszins voor het zomerreces van de raad, een plan van aanpak voorstellen rond de problematiek van de permanente bewoning van weekendverblijven in het kader van het verstrijken van het woonrecht op 1 januari 2030.




Opmerkingen